In de begeleiding zien we vaak dat op orde houden veel verschillende taken omvat. Zoals spullen terugleggen, keuzes maken, plannen, beginnen, doorgaan én afronden. Dat vraagt energie en overzicht. Soms gaat het een tijdje goed en daarna weer minder.
In de begeleiding stemmen we af met cliënten waarom zij het huishouden niet (goed) doen. Mis je schoonmaakvaardigheden of is er een gebrek aan ervaring?
Vaak zien we uiteindelijk dat er nog een ander dieper probleem meespeelt, zoals het nog niet hebben van een eigen mening over de staat van een woning of verantwoordelijkheid. Of iemand heeft niet voldoende zelfwaardering en waardering vanuit anderen om tot taken te komen.
Daarbij kunnen meer dingen spelen:
- Bij spanning of onrust is het logisch dat je sneller uitstelgedrag krijgt of juist gaat vermijden. Niet omdat je niet wil, maar omdat je systeem “pauze” nodig heeft.
- Je raakt overprikkeld van spullen en prikkels. Rommel kan onrust geven, maar opruimen kan óók prikkelrijk zijn: geluid, beslissingen, aanraken, weggooien, ordenen.
- Perfectionisme of strenge regels. “Het moet in één keer goed” maakt de drempel hoog. Dan is niets doen soms makkelijker dan half beginnen.
- Je ritme is wisselend. Drukke dagen, werk/school, sociale afspraken of weinig slaap kunnen ervoor zorgen dat het thuis sneller opstapelt.
- Het voelt als één grote berg. Als je alles tegelijk ziet, kan starten blokkeren. Dan is opruimen ineens een mega-project. Daar geven we hieronder wat praktische tips voor.
Het is zinvol om hiernaar te kijken, omdat je dan het gedrag bij de basis aanpakt. Daarnaast kun je praktische methodes inzetten om in kleine stappen de boel op orde te brengen.
Hier zijn praktische manieren die we vaak samen met mensen uitproberen: